|
|
 |
Literatuur: BESPREKINGEN
De ontketende kiezer: vrijheid en democratie in een sociale economie
Auteurs: Thomas Cool & Hans Hulst
Uitgever: Thela Thesis, Amsterdam. 2003
Besproken door: dr. Frans Kerstholt, Universiteit van Tilburg
Het boek van Cool en Hulst is het verslag van een wetenschappelijke ontdekking en een uiterst pijnlijke professionele afrekening. De eerste auteur speelt een dubbelrol als het subject van de ontdekking en het object van de afrekening. Als bespreker van het boek is het makkelijker iets te zeggen over de ontdekking en de vergaande consequenties, die Cool daaraan al vrijwel onmiddellijk verbindt. Op dat punt kan ik afgaan op wat ik in het boek tegenkom. De afrekening levert een schokkend verhaal over publicatieverboden, isolatie, ontslag en de vele procedures en processen, die daarop volgden. Dat verhaal is voor bespreker echter veel moeilijker op zijn merites te beoordelen.
Mijn bespreking zal niettemin beide themas eerst afzonderlijk behandelen. Daarna zal ik een poging tot samenvattende duiding doen.
De ontdekking
De econometrist Cool kwam omstreeks 1990 en na 8 jaren van werkzaamheid als gewaardeerde medewerker van het Centraal Planbureau CPB tot het voor hem schokkende inzicht, dat het werkloosheidsprobleem op een heel eenvoudige manier uit de wereld te helpen zou zijn. Bovendien oordeelde hij bijna in één denkbeweging, dat de wetenschappelijke (zeker ook en waarschijnlijk vooral door het CPB), bestuurlijke en politieke beleidsvoorbereiding al vele jaren gefaald had en dat daarom een parlementaire enquête geboden zou zijn.
De ontdekking kwam neer op het keurig neoklassieke inzicht, dat verlaging van het minimumloon werkgelegenheid zou opleveren voor mensen van wie de (marginale) productiviteit ligt tussen het bestaande en het nieuwe minimumloon, dat gelijk dient te zijn aan het maatschappelijk aanvaarde sociale minimum. Er moest dan wel voor gezorgd worden, dat er geen belasting op dat minimumloon geheven zou worden. Dat gelijkheid tussen loonkosten (voor de werkgevers) en loon (voor de intreders aan de onderkant van de arbeidsmarkt) is om voor de hand liggende redenen essentieel. De ontdekking bestaat dus uit de combinatie van een in diezelfde tijd door de Tilburgse econometrist Van Soest intensief onderzocht verband tussen minimumloon en productiviteit met een verandering van het belastingstelsel. Uit het boek blijkt, dat Cool zijn vertrouwen in de doeltreffendheid van zijn therapie met name ontleent aan een wiskundig-economisch bewijs, dat hij in 1992 voor zijn inzicht geleverd heeft. (p. 51)
De ideeën over de noodzaak van een parlementaire enquête, die tot een grondige hervorming van ons parlementaire stelsel en tot de instelling van een Economisch Hof moet leiden, zijn gevoed door de overtuiging van Cool, dat het onvermogen om het werkloosheidsprobleem op te lossen niet alleen terug gaat op de falende wetenschappelijke voeding van het beleid maar ook op het hele daarop volgende proces van beleidsvorming. In verschillende hoofdstukken wordt daarom op verbeteringen van beleid en democratie ingegaan. Omdat de beschouwingen dicht aanleunen tegen de over het algemeen sympathieke beschouwingen, die wij vaker tegenkomen, zal ik daarop hier niet ingaan. Het voorstel voor een Economisch Hof zal ik wel bespreken.
Het Economisch Hof is gedacht als een echt gerecht met als belangrijkste bevoegdheid, dat het een veto kan uitspreken ten aanzien van begrotingen, die niet op wetenschappelijk-correcte informatie gebaseerd zijn.
Hiermee zijn de belangrijkste elementen van de ontdekking en wat daarop volgde aangegeven en kan ik overgaan tot een kritische weging van één ander.
Ik moet bekennen, dat ik anders dan Cool geen grootse verwachtingen over heilzame werkzaamheid van zijn inzicht heb. Ik herinner mij nog goed, dat de econometrische onderzoekingen van Van Soest uiteindelijk nauwelijks spectaculaire invloeden van een toch stevige verlaging met 10 % van het minimumloon hebben gevonden.
Van Soest heeft de voorgestelde verandering van het belastingstelsel niet onderzocht. Het voorspelde heilzame effect zou dus hier gevonden kunnen worden. Ook hierover ben ik opnieuw op basis van empirische ervaring niet zo optimistisch.
Ik baseer mij op een belangrijk recent boek waarin econometrisch verantwoord wordt afgerekend met veel gangbare standaardeconomische opvattingen over belastingen en bedrijvigheid (incl. werkgelegenheid). Ik doel op Peter Linderts Growing Public (2004). Eén van zijn voorbeelden heeft betrekking op een denkbeeld waarin de meeste economen eensgezind zijn: We imagine an experiment in which Country A wisely holds down social spending while Country B raises it to a third of GDP, raising marginal tax rates on both the taxpayers and the recipients. Both the taxpayers and the recipients respond by working less and taking less productive risk, thus lowering GDP. En dan het vervolg: The problem with this consensus is that the data refuse to confess that things work out that way. (Lindert, p. 29-30)
De eerste les van de observatie van Lindert is, dat voor de hand liggende gevolgen van veranderingen in belastingvoeten vaak tot de leerboeken beperkt blijven.
De echte les is dat men pas vertrouwen in een theoretisch model mag hebben als het de toets van serieus onderzoek doorstaan heeft, en voorts dat het bestaan van een wiskundig-economisch (existentie)bewijs geen garantie geeft.
Mijn belangrijkste punt van kritiek op Cool is dan ook, dat hij zich te veel door de verpletterende schoonheid van zijn idee heeft laten meeslepen en dat hij zijn achtergrond als econometrist in feite verzaakt heeft door zijn ideeën niet aan gedegen econometrische toetsing te onderwerpen.
Wie weet had zon toetsing interessante resultaten kunnen opleveren. Cool meldt althans op pagina 57, dat het CPB in 1997 het verkiezingsprogramma van De Groenen heeft doorgerekend. Deze partij had daarbij ook enkele aspecten van Cools analyse aan het CPB voorgelegd. De uitkomsten lagen volgens Cool heel duidelijk in de lijn van zijn voorspellingen. Ik zou zeggen: hier ligt een uitdaging voor een econometrist!
Over het Economisch Hof kan ik om zeer voor de hand liggende redenen, die in feite ook in het boek van Cool en Hulst aangereikt worden, niet echt enthousiast zijn. De auteurs stellen immers: Soms was de economische wetenschap door haar gebrek aan consensus medeschuldig aan de vertroebeling van het blikveld van de besluitvormers. (p. 71) Hier slaan zij de spijker op de kop. Het Economisch Hof zal de voor zijn werk noodzakelijke wetenschappelijk-correcte informatie zeer vaak moeten ontberen. Het is dan ook heel waarschijnlijk, dat de beslissende strijd niet binnen het Hof op wetenschappelijke gronden gevoerd zal worden, maar in het politieke proces dat bepaalt wie wel en wie niet zitting zullen hebben in dat Hof.
Mijns inziens ligt de oplossing in de intensivering van de open wetenschappelijk-economische discussie met een versterkt accent op de empirische toetsing van theoretische modellen, die hun gezag nog te vaak ontlenen aan hun positie in of ten opzichte van de mainstream. Misschien is het wel nodig, dat wij de tijd waarin elke CPB-drs met een bezoldiging boven schaal 12 parttime hoogleraar werd, nog verder achter ons laten.
De afrekening
Wat er precies gebeurd is, valt voor de lezer van het boek van Cool en Hulst niet goed te reconstrueren. In het boek zijn de belangrijkste elementen daarvan publicatieverboden, overplaatsing naar een kamer apart van de collegas, ontzegging van de toegang tot het rekensysteem van het CPB, ontslag en treurig verlopende procedures en processen. Toch kan ik de gedachte niet onderdrukken, dat de leiding van het CPB de schijn wel op zeer krachtige wijze tegen heeft. Ik baseer mij daarbij met name op het rapport van een commissie, die rapporteerde voor Nederlandse Vereniging van Maatschappij- en Cultuurwetenschappen en bestond uit A.J.F. Köbben en J.H.G. Segers, en verder op een ontboezeming van een directielid van het CPB.
De commissie van de NVCM is van oordeel, dat de directie van het CPB de door Cool voorgelegde publicaties beter aan een onafhankelijke buitenstaander had kunnen voorleggen: Nu maakt zij toch enigszins de indruk rechter in eigen zaak te zijn geweest. (p. 109-110) Verder:
had de directie zoiets onschuldigs als een lunchbijeenkomst in haar gebouw, beter niet kunnen verbieden. Tijdens bedoeld lunchbijeenkomst had Cool zijn denkbeelden met collegas willen bespreken.
Het directielid heeft tijdens een zitting van de Commissie Advisering Bezwaarschriften EZ de beslissing om niet te publiceren als volgt verklaard: Het stuk past niet in de opvattingen van het CPB. (p. 110) Let wel, het ging om publicatie op naam van de auteur met het oogmerk de wetenschappelijke discussie te bevorderen. Dit valt toch moeilijk anders te zien dan als een poging om een criticus tot zwijgen te brengen voordat hij heeft kunnen spreken. Ik moest echt denken aan het lid van de beoordelingscommissie van mijn proefschrift, die dat proefschrift nadat het al goedgekeurd was, nog wilde laten afkeuren, omdat ik wat te veel kritiek op sommige van zijn gekoesterde parti-pris had geuit.
Ook de verdere procedures en processen voeden dezelfde indruk: veel serviel gedrag van hooggeplaatste civil servants, die blijkbaar beter dan Cool beseften, dat zij maar knechten waren. De directie van het CPB schijnt Cool althans en nog steeds zonder het bedoelde effect te hebben laten weten, dat hij maar een knecht, servus dus, iemand dus wie serviel gedrag past. (p. 57).
Conclusies
Naar mijn oordeel zijn er aan beide kanten fouten gemaakt. Ik heb niet de indruk gekregen, dat Cool ooit tot het inzicht is gekomen, dat hij veel te snel tot een nogal massieve, kritische stellingname ten opzichte van het CPB is gekomen. Niemand kan het een aantrekkelijk vooruitzicht vinden, dat zijn wetenschappelijk werk onderwerp van een parlementaire enquête moet worden. Cool had zijn kritiek moeten opschorten tot hij duidelijke en econometrisch verantwoorde aanwijzingen voor de juistheid van het economisch-wetenschappelijke gedeelte van zijn kritiek. Pas daarna had hij zijn uitgebreide politiek-economische model kunnen presenteren, eveneens als een model dat aan nadere toetsing onderworpen zou moeten worden. Op lange tenen moet men ook een klein beetje kunnen anticiperen.
De leiding van het CPB heeft op een bekrompen, kleinzielige en autoritaire wijze gereageerd. Ik kan alleen maar hopen, dat het onder F. Don wat beter is geworden daar.
Uit het boek blijkt verder, dat Cool geprobeerd heeft mensen en instanties, die in de Nederlandse poldercultuur een goede naam hebben, voor zijn zaak te interesseren. Dit bleef zonder succes. Dat de hele polder aan de kant is blijven staan, acht ik begrijpelijk en vergeeflijk. De polder moet ook in de toekomst nog in stand gehouden worden. Enige aandacht voor de wetenschappelijke kern van de visie van Cool ware overigens geen overbodige luxe geweest.
De enige echte remedie zie ik in een meer open wetenschappelijk-economische discussie met een versterkt accent op de empirische toetsing van theoretische modellen, die hun gezag nog te vaak ontlenen aan hun positie in of ten opzichte van de mainstream. Het universitaire wetenschappelijke onderzoek zou daarbij een voortrekkersrol kunnen spelen.
Tilburg, 22 februari 2005
|
|
 |
|