|
|
 |
Literatuur: BESPREKINGEN
Het grote gelijkheidsvisioen van Edward Bellamy
Auteur: Edward Bellamy
Oorspronkelijke titel: Equality (1897)
Vertaling/bewerking: Bram Snoek, in opdracht van de Internationale Vereniging Bellamy
Omvang: 373 bladzijden
Uitgever: Boekenplan Uitgeverij (2005)
Besproken door: Margies Kaag, lid Kerngroep Vóór de Verandering.
Edward Bellamys boek "Equality" is in 2005 in het Nederlands heruitgegeven onder de titel "Het grote gelijkheidsvisioen van Edward Bellamy". Het boek is een toekomstvoorspelling, gedaan op het eind van de 19e eeuw, voor het tijdperk waarin wij ons nu bevinden. Het gaat de schrijver vooral om een nieuwe maatschappelijke orde. Daarnaast maakt hij melding van een groot aantal technische vernieuwingen.
De voorspellingen zijn verpakt in een verhaal van een jonge kapitalist, Julius West, die in Boston, VS, in het jaar 1887 onder hypnose in slaap is gebracht en in 2033 (volgens de inleiding) op dezelfde plaats wakker wordt in een totaal veranderde wereld. Julius West, de ik-figuur, beschrijft deze in gesprekken met leden van het gezin, met scholieren en leraren van middelbare scholen en diverse anderen in de samenleving te midden waarvan hij ontwaakt is.
De nieuwe VS, waarin Julius zich bevindt, geeft hem ogenblikkelijk als inkomen zijn aandeel in de productie van dat jaar in de vorm van een creditcard, die hij naar eigen goeddunken kan gebruiken. Iedereen krijgt een gelijk inkomen per jaar. Er wordt enige reserve aangehouden voor onverwachte gebeurtenissen, rampen, misoogsten en mensen die uit andere eeuwen wakker worden. Ieder jaar krijgt men zon aandeel; wat overblijft van het jaar daarvoor vervalt.
Al degenen die in staat zijn te werken, doen dat van hun 21ste tot hun 45ste. Tot 21 jaar volgt men gratis onderwijs, het liefst tot en met de universiteit (waarna men overigens zijn studies kan blijven vervolgen, wat meestal gebeurt na het vroege pensioen).
Het werk wordt verdeeld in arbeidsbeurzen met inachtneming van werksoort en plaats die men wenst, voorzover dat mogelijk is. De regeling van de arbeidsbeurzen, de productie van goederen en diensten en de verdeling ervan, de verdeling van inkomen worden uitgevoerd door de nationale regering en haar ambtenarij. De regering en ambtenarij worden door de massa (zoals Bellamy haar noemt) nauwlettend gecontroleerd. Bellamy spreekt van een economische democratie volgend op de politieke democratie die zich in de eeuw voor zijn tijd ontwikkelde. De heerschappij van de koningen was overgenomen door de kapitalisten, zo stelt hij.
Hoe de controle door de massa geschiedt, vertelt Bellamy niet; hij had het communistische drama nog niet meegemaakt.
Julius West wordt dus in 2033 wakker. Nu is dit jaartal vermoedelijk een latere invulling van de redactie. In de tekst wordt vaak de 20ste eeuw genoemd als heden en dat wekt enige verwarring. Als men echter in het oog houdt dat het Bellamy gaat om de omwenteling en niet om de technische vondsten, dan is het van belang die omwenteling te dateren. Dat kan door de volgende gebeurtenis. Op blz. 271 is sprake van een massaal herbebossingsprogramma met bomen, die direct na de omwenteling gepland werden en in het heden zon 75 tot 100 jaar oud zijn. Zou Julius op het eind van de 20ste eeuw wakker zijn geworden, dan is die omwenteling in het eerste kwartaal van die eeuw geweest; werd hij wakker in 2033 dan is de omwenteling halverwege de 20ste eeuw. In beide gevallen een gepasseerde datum; de omwenteling heeft niet plaats gehad.
Is het van belang de niet gebeurde omwenteling toch te ontleden? Mijn antwoord daarop is ja, omdat we maatschappelijk economisch ons in een vergelijkbare situatie bevinden als op het eind van de 19e eeuw.
De omwenteling is nl. een reactie op wat Bellamy noemt het privé-kapitalisme en dat in grondtrekken overeenkomt met het huidige neoliberalisme. Tussen Bellamys tijd en de onze bevinden zich twee wereldoorlogen, waarna in westerse landen de verzorgingsstaat is opgebouwd en van de 80er jaren af weer gedeeltelijk wordt afgebroken onder een absolutere vorm van het privé-kapitalisme, nl. het neoliberalisme. Inmiddels is de wereld geglobaliseerd en hebben de sociale verhoudingen (rijk-arm) een wereldformaat gekregen. Het privé-kapitaal in de vorm van transnationale bedrijven spelen daarin een hoofdrol. Hun begin werd door Bellamy opgemerkt. Wat hij niet kon voorzien was de toenemende druk van milieuvernietiging, hoewel hij met zijn herbebossingsprogramma aangeeft dat hij daar wel enigszins oog voor had.
Julius West (de ik-figuur) bezoekt een middelbare school waar de leerlingen hem uitleggen hoe het voorbije privé-kapitalisme werkte.
Over het onderwerp winst leggen ze uit dat kapitalisten hun werknemers zo weinig betalen dat deze niet in staat zijn hun eigen producten te kopen.
Indien je momenteel kijkt naar de wereld in zijn totaliteit, is dat nog steeds zo. Er zijn miljoenen mensen die hun eigen producten niet kunnen kopen.
Over het onderwerp overproductie zeggen ze: Overal ter wereld verkeerde altijd een grote massa mensen in nood. Juist in tijden dat de markt overvoerd was hetgeen men overproductie noemde - was men het meest behoeftig. Zij die geen geld bezaten bestonden niet ten opzichte van de markt.
En over de vertrouwenstheorie antwoordt een leerling: ik begreep er niet veel van, maar men kon op goede gronden aannemen dat er gebrek aan vertrouwen begon te ontstaan in een economisch systeem dat zulke resultaten opleverde.
Gebrek aan vertrouwen wordt nog steeds gehoord als argument wanneer de consumenten in het rijkere segment van de wereld hun plicht niet doen in het almaar kopen.
Over het onderwerp reclame wordt gezegd, dat de verkopers en hun gehuurde woordvoerders de kopers zelf aanspraken en op de meest schaamteloze wijze pochten over hun waren en daarbij die van anderen afkeurden of zelfs verdacht maakten.
Bellamy heeft overigens onze reclameorgie niet kunnen voorzien.
Bij het onderwerp concurrentie wordt de flexibilisering van de arbeidsmarkt beschreven, door uit de lonen van werknemers de som te putten om de prijzen van goederen te verlagen en voorts dat aanschaffing van arbeidsbesparende machines of andere uitvindingen, waardoor werknemers konden worden ontslagen
Een ander strijdmiddel in de concurrentieslag waren ook toen al de fusies en overnames.
Over de situatie van de boer zeggen de leerlingen:
en de boer, die feitelijk een kapitalist was, was er door de nietigheid van zijn kapitaal niet beter aan toe dan de loontrekker, omdat zijn producten bedierven als hij wachten moest op de markt.
Bellamy kende nog niet het verschijnsel supermarkt, maar niettemin laat hij een leerling uitleggen dat de omstandigheden de grootkapitalisten in staat stelden, de loonstandaard en prijzen van de producten naar beneden te drukken.
Ook komt overconsumptie door een elitegroep aan de orde en de zedenmeesters die er tegen optraden. Het vraaggesprek gaat als volgt (169 onderste helft): De zedenmeesters van alle eeuwen hebben de uitspattingen van de rijken veroordeeld. Waarom heeft hun afkeuring geen verandering gebracht?
Zij begrepen de economische zijde van het onderwerp niet. Zij konden niet inzien, dat onder het winstsysteem het grondig vernietigen van overvloedige winst in onnutte verspillingen een economische noodzakelijkheid was, om de productie door te laten gaan
.
In onze tijd is de situatie complexer, verspilling door niet echt noodzakelijke producten komt veelvuldig voor in de rijkere delen van de wereld. Echter de winstmakers zijn het niet langer alleen zelf die overconsumeren. Zij beleggen hun overbodige winsten (en verhevigen daarmee het verspillende systeem).
Overproductie in landbouwgoederen in de vorm van dumpen onder de marktprijs in Derde Wereldlanden heeft men in Bellamys tijd nog niet ontdekt, al worden wel enkele opties van dumpen besproken.
De oplossing die in Bellamys utopie is uitgewerkt: De gelijke verdeling van de dingen, die mensen nodig hebben, is daarom het algemene beginsel, waarop het verbruik onmiddellijk toeneemt tot de grootst mogelijke omvang en daarmee niet ophoudt, voordat het punt bereikt is van algemene verzadiging.
Hier tekent zich overigens het fundamentele verschil af tussen de tijd van Bellamy en de onze. Wij hebben door schromelijke verkwistingen in het Westen het punt van verzadiging dat ecologisch haalbaar is al overschreden met 20% . Als de hele wereld op onze voet meedoet, gaan we er met zijn allen aan, misschien zelfs voor die tijd. We moeten in het Westen terug en proberen dat uit te stellen door ons milieubederf te exporteren.
Over vrij buitenlandse handelsverkeer laat hij de leerlingen zeggen, dat de kapitalisten van het sterkere land de ondernemingen verpletteren van de kapitalisten van het zwakkere land, waardoor de bevolking van het laatste land afhankelijk wordt van de buitenlandse kapitalisten voor veel goederen, die anders in eigen land zouden zijn vervaardigd, tot voordeel van hun eigen kapitalisten.
Vrijhandel was in het voordeel van die kapitalisten die in staat waren de kapitalisten van mededingende landen te verpletteren, zodra ze in de gelegenheid werden gesteld met hen te concurreren. Bescherming werd verlangd door die kapitalisten, die zich zwakker voelden.
In Bellamys utopie wordt de buitenlandse handel door regeringen gevoerd en is vrij beperkt. Het vrachttransport over de hele wereld is aanmerkelijk ingekrompen, ook al voor de ik-figuur in het verhaal, de 19e eeuwse Julius West. Daardoor is met name de zee erg schoon. Het toeristische verkeer bestaat wel en heeft het effect dat mensen naar elkaar toetrekken en elkaar leren kennen.
In feite zijn alle genoemde bezwaren van winst, concurrentie, overvoerde markt, zich verveelvoudigend op wereldschaal door vrije wereldhandel, nu nog aan de orde in het huidige neoliberalisme. De toestand is zelfs verergerd. Het meest dramatische zijn:
- de ecologische situatie van de aarde,
- het bewind van de transnationale bedrijven,
- een casinosituatie op beursen.
Zijn gelijkheidsideaal baseert Bellamy op het evangelie van Jezus. Zijn visie op de evolutie en op het goddelijk plan doet denken aan Teilhard de Chardin, die overigens nog niet geboren was.
Het verloop van de Omwenteling
Wat voor ons van belang is, is de wijze waarop Bellamy laat zien hoe de omwenteling ontstaat, nl. door toenemende druk op de armer wordende werknemers. Er ontstaan massale stakingen. Hij beschrijft geen bloedige revolutie, integendeel: een aantal verlichte geesten grijpt de macht en dan gaat de nationale regering aan de slag allereerst door het opbouwen van de verzorgingsstaat, min of meer zoals we hem kenden. Vele publieke diensten worden ingesteld en de werknemers in die diensten krijgen een voorkeursbehandeling bij toedelen van producten, die de staat voor hen opkoopt in het oude systeem en zonder tussenhandel, waardoor goedkoop, aan hen doorverkoopt. Het publieke systeem breidt zich geleidelijk uit en op het laatst gaat het zelfs heel snel, omdat dan iedereen de voordelen ervan inziet.
Een omwenteling zoals Bellamy het beschrijft is nu niet meer mogelijk omdat de nationale staten aan betekenis hebben ingeboet.
|
|
 |
|